Wetgeving bijscholing

Wetgeving bijscholing

 

Rijlesgevers (brevet II, III, IV en V) en (adjunct)rijschooldirecteurs, dienen jaarlijks minimum 12u verplichte bijscholing volgen om up-to-date te blijven. De leerstof moet betrekking hebben op hebben op volgende punten:

  • punt 1: wijzigingen van de reglementering over de verkeersveiligheid in de brede zin en verdieping van de in de bijlage 2 van het KB van 11 mei 2004 bepaalde examenleerstof
  • punt 2: begrippen en methodologie van de organisatie van het theoretische en praktische onderricht
  • punt 3: begrippen en maatregelen tot bevordering van de verkeersveiligheid en de mobiliteit in het kader van de duurzame ontwikkeling
  • punt 5: voor de houders van brevet I: economische en organisatorische aspecten van de exploitatie van een rijschool

Voor het jaar 2020 wordt het jaarlijkse minimum van 12u bijscholing verminderd naar 7u door de corona-maatregelen.

De bijscholing maakt deel uit van een cyclus van 3 jaar. Dit betekent dat de punten 1, 2 en 3 over een periode van 3 jaar mogen gespreid zijn, waardoor de lesgever zich jaarlijks kan verdiepen in een bepaald onderwerp. Op het einde van de cyclus van 3 jaar dienen de punten 1, 2 en 3 aan bod gekomen te zijn.  Voor een (adjunct)directeur is deze cyclus 4 jaar waarbij alle punten (1, 2, 3 en 5) aan bod dienen gekomen te zijn.

De lesgevers die erkend zijn als lesgever voor het terugkommoment moeten binnen elke periode van drie jaar vanaf de erkenning een vorming van twaalf uur volgen waarvan de leerstof erkend is voor punt 2 "begrippen en methodologie van de organisatie van het theoretische en praktische onderricht".

Hoe wordt deze cyclus bepaald?

Als een rijlesgever of directeur zijn instructie- of directietoelating heeft ontvangen voor 01/01/2014, dan is de referentieperiode 01/01/2014 -31/12/2016 (rijlesgever) en 01/01/2014 -31/12/2017 (directeur). De daaropvolgende cyclus is dan 01/01/2017 - 31/12/2019 voor een rijlesgever of 01/01/2018 – 31/12/2021 voor een directeur.

Wanneer een rijlesgever zijn instructie- of directietoelating heeft ontvangen na 01/01/2014, dan wordt er steeds gekeken naar de datum van de instructie- of directietoelating. De persoon heeft één jaar een vrijstelling en hierdoor begint de referentieperiode te tellen vanaf “datum van toelating +1 jaar” – plus 3 jaar (instructeur) of plus 4 jaar (directeur)”.

 

Bronnen:

TOP